Een schip met drie verdiepingen. één voor de mensen en één voor de dieren en één voor de vogels. De mensen die niet in Allah wilden geloven, lachten hem uit. Wil jij je grote schip op zand laten varen? Er waren geen rivieren, of zeeën waar de schip kon varen. De grote schip was klaar en alle mensen die in Allah geloofden en dat waren er maar weinig, gingen op het schip. Maar ook alle dieren en vogels. Van elke dier en vogel verzamelde Nooh het mannetje en het vrouwtje. 

Toen begon het water overal vandaan te komen. Uit de lucht, uit de grond. Nooit had men zoveel water gezien. En het bleef maar doorgaan. En het water steeg en steeg. Nooh die veilig op het schip zat zag zijn zoon en riep: Mijn zoon, kom op het schip en geloof in Allah. 

 

De zoon zei: Ik ga naar een hoge berg waar het water niet bij mij kan komen?. Nooh zei: Vandaag kan niemand ontkomen aan het water, ook al ga je op de hoogste berg van de hele wereld. Maar de zoon van Nooh luisterde niet naar zijn vader en ging naar de hoogste berg.