Toen de eigenaar van de kameel dit allemaal hoorde, schaamde hij zich. "Ben je niet bang voor Allah, vanwege je kameel?" vroeg de profeet (vrede en zegeningen zij met hem)  hem. Allah heeft de kameel aan de zorgen van de man toevertrouwd om hem met zijn werk te helpen en lasten voor hem te dragen. De man heeft de plicht om de kameel goed te behandelen en er op toe te zien dat hij genoeg te eten en te drinken heeft. Als hij dat doet, zal de kameel goed voor hem werken. De eigenaar van de kameel schaamde zich nu werkelijk diep. "Ik heb het verkeerd gedaan!" zei hij. 

"De kameel is ook een schepsel van Allah. Ik heb spijt van mijn wreedheid. Alle levende wezens moeten met vriendelijkheid behandeld worden. De profeet (vrede en zegeningen zij met hem)   leerde ons, dat als ze goed behandeld worden, Allah tevreden zal zijn. Maar als. ze slecht behandeld worden, dan zal Allah echt boos zijn. De eigenaar van de kameel is nooit vergeten wat de profeet (vrede en zegeningen zij met hem)  hen verteld had. Na deze gebeurtenis zorgde hij goed voor zijn kamelen. De kamelen moesten wel hard werken, want het zijn hele sterke dieren, maar de man zorgde er altijd voor dat er genoeg te eten en te drinken was.