|
De
verdragen tussen de moslims en de andere partijen
In
het Hudaibiyah-verdrag werd een staakt-het-vuren vastgelegd voor een periode van
tien jaar. Door dit verdrag had de profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem,
geen last meer van de grootste vijand op het Arabische schiereiland; Quraish.
Hij heeft gedurende deze periode ook afgerekend met de joodse stammen die de
verschillende partijen in de Alkhandaq-strijd hebben aangezet om Medina aan te
vallen. Zij bevonden zich in Khaibar in het noorden van Medina. Tijdens de
voorbereidingen daarvoor vond een klein incident plaats.
Alghabah-strijd:
De
profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, had zijn slaaf Rabah, een herder en
Salamah Ibn Al'akwa'e gestuurd om een aantal kamelen buiten Medina in de weiland
los te laten. Aburrahman Alfazari viel hen aan en vermoordde de herder en nam de
kamelen mee. Rabah vertrok op een paard naar Medina om de mensen daarvan op de
hoogte te stellen, terwijl Salamah de aanvaller volgde en met pijlen en stenen
bestookte. Hij bleef dit doen totdat zij de kamelen en hun wapens hadden
verlaten.
Later
zag Salamah de paardrijders aankomen waaronder Akhram, Qutadah en Almiqdad.
Akhram viel Abdurrahman aan en stak zijn paard neer, waarna Abdurrahmen Akhram
vermoordde. Daarnan volgde Qutadah Abdurrahman en vermoordde hem, terwijl de
rest ontsnapte. Zij volgden hen totdat zij water wilden drinken bij een put,
alwaar Salamah hen met pijlen bestookte en hen daar vandaan weerde. De profeet,
Allah's zegen en vrede zij met hem, keurde deze daad van Salamah af en gaf hem
twee delen van de buit.
Dit
vond plaats drie dagen vr het vertrek van de profeet, Allah's zegen en vrede zij
met hem, naar Khaibar. Hij had zijn taken in Medina aan Ibn Oem Maktoem
overgedragen en de banier aan Almiqdad gegeven.
| Vorige ||
Hoofdstuk 29 || Terug naar de
index |
|