|
De "oemrah"
van Alhudaibiyah
Het
vertrek vanuit Medina om de "oemrah" te verrichten en de
tussenstop bij Alhudaibiyah:
De
profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, kreeg een droom in Medina waarin
hij samen met zijn metgezellen veilig de gewijde moskee in Mekka binnenliepen.
Hij vertelde dit aan de moslims en zei dat hij de "oemrah" wilde
verrichten. Hij riep de bewoners van het platteland op om hieraan deel te nemen
maar zij weigerden omdat zij dachten dat de moslims en de profeet nooit terug
zouden keren. Als excuus gaven ze: ,,Onze handel en families houden ons bezig,
vraag vergiffenis voor ons."
De
profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, vertrok op een maandag aan het
begin van de maand Thil Qi'dah van het jaar 6. Hij werd vergezeld door 1400
mensen van Almuhadjirin en Al'ansar. Hij voerde het vee zodat de mensen konden
zien dat hij de "oemrah" zou gaan verrichten en geen oorlog zou gaan
voeren. Hij begaf zich in de staat van "moehrim" naar Thulhulaifah.
Toen
hij A'safan bereikte kwam zijn informant die hem vertelde dat de mensen van
Quraish vastbesloten waren om oorlog te voeren en de moslims tegen te houden.
Quraish had al twee honderd mannen onder leiding van Khalid Ibn Alwalid gestuurd
om de weg naar Mekka te blokkeren. Ook hadden de mensen van Quraish slaven
ingezet. De profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, heeft bij zijn
metgezellen advies ingewonnen of hij de slaven zou moeten aanvallen of zijn weg
naar de gewijde moskee vervolgen. Abu Bakr zei: ,,Wij kwamen om de "oemrah"
te verrichten en niet om oorlog te voeren. Wij vechten als men ons tegen wil
houden de gewijde moskee binnen te gaan." De profeet, Allah's zegen en
vrede zij met hem, accepteerde zijn mening.
Khalid
Ibn Alwalid zag de moslims toen zij het middaggebed verrichtten en wilde ze
aanvallen. Hij heeft gewacht totdat zij het namiddaggebed gingen verrichten om
ze dan alsnog aan te vallen. Allah, de Verhevene, heeft toen het verrichten van
het gebed in een noodsituatie geopenbaard, waarna Khalid geen kans meer kreeg de
moslims kwaad te doen. De profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, nam een
andere weg als de weg die zij blokkeerden vanuit het zuiden van Mekka. Toen de
moslims bij Tinyat Almiraar, een plaats bij Alhudaibiyah, aankwamen kroop de
kameel van de profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, op de grond en wilde
niet meer opstaan. De profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, zei: ,,Als
zij mij iets vragen waarin de eerbiedigheid van Allah's zaken niet aangetast
worden, dan zullen ze dat krijgen." Hij stootte daarna de kameel aan waarna
deze opstond en tot Alhudaibiyah liep.
In
Alhudaibiyah kwam Badil Ibn Warqa'e van de stam Khuza'ah naar de profeet,
Allah's zegen en vrede zij met hem, en vertelde dat de mensen van Quraish
vastbesloten waren hem tegen te houden en oorlog te voeren. De profeet, Allah's
zegen en vrede zij met hem, legde hem uit dat zij alleen gekomen waren om de
"oemrah" te verrichten en niet om oorlog te voeren en dat hij bereid
was om een vredesakkoord met ze te sluiten. Maar als Quraish perse oorlog wilde
voeren dan waren de moslims er klaar voor.
De
onderhandelingen tussen Quraish en de profeet, Allah's zegen en vrede zij met
hem:
Badil
vertelde dit door aan de mensen van Quraish in Mekka, waarna zij Makraz Ibn Hafs
naar de profeet stuurden. Hij kreeg hetzelfde te horen als Badil. Daarna
stuurden zij de vooraanstaande van Al'ahabish; Alhalis Ibn I'krimah. Toen hij de
moslims naderde zei de profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, tegen zijn
metgezellen: ,,Zijn volk acht de offers verheven". Hij hoorde ze de "talbiah"
opzeggen en zei: ,,Verheven is Allah, deze mensen zouden niet tegengehouden
moeten worden. Terwijl Lakhm en Djutham met bedevaart naar Mekka komen, wordt
het de zoon van Abdulmuttalib ontzegd. Bij de Heer van de Ka'bah, is dit het
einde van Quraish. Deze mensen komen om de "oemrah" te
verrichten." Toen de mensen van Quraish dit hoorden, vroegen ze hem om te
gaan zitten want hij had volgens hen geen idee van zulke valstrikken.
Daarna
stuurden zij U'rwah Ibn Mas'ud At-thaqafi die met de profeet, Allah's zegen en
vrede zij met hem, sprak en hetzelfde kreeg te horen als Badil. Hij zei tegen de
profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem:
,,O
Mohammed, als je je eigen volk uitroeit dan is er niemand onder de Arabieren die
het eerder heeft gedaan. Maar als je verslagen wordt dan zie ik deze mensen om
je heen jou verlaten." Abu Bakr reageerde woedend: ,,Zouden wij hem
verlaten?". Hij kon Abu Bakr niet tegenspreken omdat deze hem eerder goed
behandeld had.
| Vorige ||
Volgende || Terug naar de
index |
|