Home
 

Almustaliq-strijd (ook Al'mirisi'e genoemd) 

Beni Almustaliq was een onderdeel van de stam Khuza'ah. De meeste afstammelingen van Khuza'ah hadden goede banden met de profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, behalve Beni Almustaliq. Zij steunden Quraish. De profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, kreeg het bericht dat zij zich voorbereidden om oorlog te voeren tegen de moslims. Hij stuurde vervolgens Buraidah Ibn Alhasib om na te gaan of het bericht klopte, waarna ook dat werd bevestigd. 

De profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, droeg zijn taken over aan Zaid Ibn Harithah en vertrok met zevenhonderd man richting Beni Almustaliq om hen te verrassen. Zij bevonden zich in Al'mirisi'e waar de profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, hen aanviel. De moslims vermoordde een aantal onder hen en namen de vrouwen en kinderen gevangen. De rest van de buit werd meegenomen. Dit vond plaats op 2 Sha'ban van het jaar 6 hijri (ook is er overgeleverd dat het in het jaar 5 plaatsvond). Onder de gevangenen bevond zich ook Djuwairiyah Bint Alharith, het hoofd van Beni Almustaliq. Toen de profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, in Medina aankwam stelde hij haar in vrijheid en huwde haar nadat zij moslim was geworden. Daarna hebben de andere moslims honderd mensen van Almustaliq in vrijheid gesteld omdat zij zich tot de Islam hadden bekeerd en omdat de profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, met Duwairiyah was getrouwd. 

Dit was een samenvatting van de Almustaliq-strijd. Er vonden bovendien twee gebeurtenissen plaats tijdens deze veldtocht die de huichelaars hebben misbruikt om verzoeking en verdeeldheid te zaaien onder de moslims en zelfs binnen de familie van de profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem; 

1. De uitspraak van het hoofd van de huichelaars namelijk:,,Als wij naar Medina terugkeren, dan zal het sterke zeker het zwakke daaruit verdrijven."

De aanleiding hiervoor was dat een man die bondgenoot was van Almuhadjirin en een andere man die bondgenoot van Al'ansar was, ruzie kregen over het water in Almarisi'e waarna zij beiden de hulp van hun bondgenoten inriepen en een groep aan hun eigen kant verzamelden. De profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, kwam er onmiddellijk tussen en zei: 

,,Roepen jullie elkaar zoals in het Djahiliyyah-tijdperk, terwijl ik nog leef? 

Laat het want het is afschuwelijk". De mensen werden weer kalm.

Een groep huichelaars die niet eerder aan een strijd meedeed, ging dit keer wel mee waaronder hun hoofd Abdullah Ibn Ubay. Toen hij over de ruzie hoorde heeft hij gezegd: ,,Hebben ze het gedaan, ze hebben ons weggejaagd uit ons land. Bij Allah, we zijn op dit moment ten opzichte van deze Quraishieten zoals een hond die je goed hebt gevoed  en die jou later opeet. Bij Allah, zodra we terug zijn in Medina zal de vooraanstaande de minderbedeelde eruit zetten". Hij doelde op zichzelf en de profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem. Hij begon verzoeking te zaaien en vertelde zijn metgezellen: ,,Dit hebben jullie zelf veroorzaakt. Jullie hebben je land opengesteld voor ze en jullie vermogen met hen gedeeld. Als jullie hen jullie vermogens hadden onthouden, dan waren ze ergens anders naartoe gegaan." 

Toen Abdullah Ibn Ubay dit had gezegd luisterde ook een gelovige jongeman; Zaid Ibn Arqam. Hij kon er niet tegen en vertelde het aan de profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem. Hij vroeg  vervolgens Abdullah of hij dit inderdaad had gezegd, waarna deze ontkende. Toen openbaarde Allah, de Verhevene, de verzen in soerat "Almunafiqin"  d.w.z. "huichelaars" waar uitspraken zijn gemaakt tot de dag des oordeels. 

De zoon van deze huichelaar, ook Abdullah genaamd, was een gelovige. Toen zijn vader Medina wilde verlaten, versperde hij de weg met zijn zwaard in de hand en vertelde zijn vader dat hij niet door kon lopen zonder daarvoor toestemming te hebben van de profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem. Toen de profeet hiervan op de hoogte werd gebracht heeft hij iemand naar Abdullah gestuurd om zijn vader door te laten gaan.

Vorige  ||  Volgende  ||  Terug naar de index  |





Hadith:

Aboe Maalik al-Haarith ibn ‘Aasim al-Ash’aarie

verhaalt dat de Boodschapper van Allah zei: “Reinheid is de helft van het geloof en het zeggen van ‘alle lof behoort aan Allah’ vult de weegschaal van de goede daden en (het zeggen van) ‘heilig is Allah en alle lof behoort Allah” vult de aarde. De Salaat is licht en liefdadigheid is een bewijs van het geloof: geduld is een gloed en de Koran is of een pleidooi voor je of tegen je. Ieder mens verlaat in de ochtend zijn huis en zet zijn ziel op het spel: hij verlost of verliest haar.”(Moeslim)

Rawdatul-anoir Alle auteurs en vertaalrechten zijn voorbehouden aan Stichting Alwaqf Alislami te Eindhoven.
 

No Copyright © 1423-2002 www.al-islaam.com, Inc. No rights reserved.