|
De
Al'ahzab-strijd
Na
de veldtocht naar Beni Nadhier nam de profeet, Allah's zegen en vrede zij met
hem, wijze maatregelen ten opzichte van de veiligheid. Er vonden vrijwel geen
incidenten plaats voor een periode van ruim anderhalf jaar. De moslims wilden
zich op dat moment concentreren op
het verspreiden van de religie en het verbeteren van hun omstandigheden. De
joden in hun omgeving waren daar echter niet blij mee. Nadat zij zich in Khaibar
vestigden, begonnen zij samenzweringen te beramen. Het is hen, na vele pogingen
in het geheim, gelukt om een gigantisch leger bij elkaar te krijgen.
Historici
vertellen dat twintig vooraanstaande mannen onder de joden naar Mekka zijn
gegaan om de mensen van Quraish aan te moedigen om Medina aan te vallen. Quraish
stemde daarmee in, waarna zij naar de stam Ghatafan zijn gegaan die ook daarmee
akkoord gingen. Daarna hebben zij een aantal stammen benaderd waarbij een aantal
ermee akkoord ging. Zij organiseerden al deze stammen en brachten die bijeen
zodat zij allen op hetzelfde tijdstip Medina zouden bereiken.
Het
beraad en het graven van een sloot rondom Medina:
Het
bericht van de opmars van dit leger kwam aan in Medina. De
profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, heeft naar aanleiding hiervan
advies ingewonnen bij zijn metgezellen, waarna Salman Alfarisi hem adviseerde om
een sloot te graven. Men vond het een goed idee en ze werden het hierover eens.
Vrijwel
aan alle kanten van Medina bevonden zich grote zwarte stenen die het moeilijk
maakten om de stad binnen te komen, behalve vanuit de noordelijke kant. Vandaar
dat de profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, de smalste ingang tot de
stad koos tussen de westelijke en de oostelijke Alhurrah. De twee plaatsen
werden door een sloot met elkaar verbonden. Het graven van de sloot begon bij de
berg Sala' tot aan Atm As-shaikhain.
De
profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, droeg iedere tien mannen op om
veertig Thira'e (30 meter ongeveer) te graven en
deed zelf ook mee. Het graven van de sloot was een zware taak voor de
moslims, mede door de kou en honger. Het tekort aan voedsel was zo erg dat zij
gerst aten die zij kregen, hoewel dit met moeite door hun
keel ging. Zij klaagden hierover en lieten zien dat ieder van hen van de
honger een steen tegen zijn buik had. De profeet, Allah's zegen en vrede zij met
hem, liet ze zien dat hij zelfs twee stenen tegen zijn buik vast had gebonden.
Er
vonden tijdens de graafwerkzaamheden ook wonderen plaats; Djaber kon het niet
verdragen de profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, te zien terwijl deze
honger had. Hij slachtte een dier voor hem en zijn vrouw maalde wat gerst.
Djaber nodigde daarna de profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, en een
groep andere metgezellen in het geheim uit. De profeet, Allah's zegen en vrede
zij met hem, kwam samen met alle mensen die de sloot aan het graven waren en zij
hebben er allen van gegeten terwijl de kookpan nog vol zat en het brood nog werd
gebakken. Een ander wonder is dat de zus van An-nu'man Ibn Bashir een handvol
dadels bracht voor de vader en de oom van An-nu'man. De profeet, Allah's zegen
en vrede zij met hem, verspreidde de dadels op een stuk doek en riep alle mensen
om ervan te eten. Zij aten allen terwijl het kleed nog vol lag met dadels.
Tijdens
het graven stuitten Djaber en een groep van zijn vrienden, op een gedeelte dat
moeilijk af te breken was. De profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, sloeg
ertegen met zijn bijl waarna het bewuste gedeelte gelijk werd gemaakt met de
grond. Ook kwam Bara'e bij de graafwerkzaamheden een grote steen tegen, waarna
de profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, zei: "bismillah" d.w.z.
"In de naam van Allah". Hij sloeg daarna de steen met zijn bijl
waarbij er een licht uit ontsnapte. Hij zei toen: ,,"Allahoe Akbar"
ik krijg de sleutel tot het Shaam-gebied, ik kan de rode kastelen nu al
zien." Hij sloeg een tweede keer en kreeg het goede nieuws van de opening
van Perzië en Jemen te horen toen hij de derde keer sloeg. De steen viel daarna
in stukjes uiteen.
Middenin
de sloot:
Quraish
rukte op met vierduizend man richting Medina, driehonderd paarden en duizend
kamelen. Het leger stond onder leiding van Abu Sufyan en de banier werd gedragen
door Othman Ibn Talhah (Ibn Abi Talhah Al'abdrai). Zij waren gelegerd in Rawmah
dat tussen Aldjurf en Zughabah ligt. De stammen Ghatafan en Nadjd steunden de
mensen van Quraish ook in hun oorlog tegen de moslims en namen deel met
zesduizend man. Zij waren gelegerd in Thanb Nuqmah in de buurt van de berg Uhud.
De komst van dit leger tot aan de randen van Medina was een zware beproeving
waardoor de moslims bang werden, zoals Allah, de Verhevene, dat in de Koran
vertelt;
{إذ
جاءوكم من فوقكم ومن أسفل منكم وإذ
زاغت الأبصار وبلغت القلوب الحناجر
وتظنون بالله الظنونا هنالك ابتلي المؤمنون
وزلزلوا زلزالا شديدا}
,,Toen
zij tot jullie kwamen, van boven jullie en van onder jullie en toen de ogen zich
afwendden en de harten in de kelen schoten, en jullie (het slechte) over Allah
veronderstelden. Daar werden de gelovigen beproefd en hevig geschokt" [Al'ahzab:
10].
Ook
heeft Allah, de Verhevene, in dit verband gezegd:
{ولما
رأى المؤمنون الأحزاب قالوا هذا ماوعدنا الله
ورسوله وصدق الله ورسوله وما
زادهم إلا إيمانا وتسليما}
,,En
toen de gelovigen de bondgenoten zagen, zeiden zij: "Dit is wat Allah en
Zijn boodschapper ons hebben beloofd, en Allah en Zijn boodschapper hebben
gelijk". En het doet hen slechts toenemen in geloof en onderwerping."
[Al'ahzab: 22].
De
huichelaars zeiden:
{ماوعدنا
الله ورسوله إلا غرورا}
"Allah
en Zijn boodschapper hebben ons slechts een misleidende belofte gedaan." [Al'ahzab:
12].
De
profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, droeg het bestuur van Medina over
aan Ibn Oem Maktoem, terwijl de vrouwen en kinderen naar veilige plekken werden
gebracht. De moslims vertrokken vanuit Medina met drieduizend man. Zij stonden
met hun rug naar de berg Sala'e, om zo zichzelf te beschermen. Tussen de moslims
en de ongelovigen bevond zich de sloot.
| Vorige ||
Volgende || Terug naar de
index |
|