|
Incidenten
en veldtochten
De
nederlaag in Uhud had negatieve gevolgen voor de moslims en hun reputatie.
Daarna hebben hun vijanden hen openlijk met oorlog bedreigd. Dit ging gepaard
met een aantal gebeurtenissen waarvan een aantal niet in het voordeel waren van
de moslims. Wij noemen in dit verband een paar daarvan:
Het
incident van Ar-radji'e:
Een
groep mannen uit de stammen U'dhal en Qarrah bezochten de profeet, Allah's zegen
en vrede zij met hem, en vertelden hem dat mensen onder hun volk zich tot de
Islam hebben bekeerd en vroegen hem om mensen te zenden die hen de Koran en de
religie zouden leren. De profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, stuurde
tien van zijn metgezellen onder leiding van A'sim Ibn Thabit. Onderweg bij een
plaats genaamd Ar-radji'e werden de tien metgezellen door honderd boogschutters
omsingeld van de stam Beni Lahyan die een samenzwering hadden beraamd samen met
de stammen U'dhal en Qarrah. De samenzweerders beloofden hen als zij naar
beneden zouden komen dat zij hen dan niets zouden doen. A'sim weigerde en vocht
tegen hen samen met zijn metgezellen waarbij zeven van hen werden vermoord. De
ongelovigen beloofden de overige drie geen kwaad te doen als zij alsnog naar
beneden zouden komen, maar ze bedrogen hen en bonden ze alle drie vast. Een van
de drie weigerde mee te gaan waarna de ongelovigen hem vermoorden en de andere
twee naar Mekka brachten. De twee
mannen waren Khubaib Ibn U'day en Zaid Ibn Dathnah.
De
samenzweerders hebben de twee in Mekka verkocht. De dochter van Alharith Ibn
Nawfal kocht Khubaib omdat hij haar vader tijdens de Badr-strijd had vermoord.
Zij en haar broer hebben Khubaib een tijdje opgesloten en later overgebracht
naar Tan'im om hem aldaar te vermoorden. Hij verrichtte het gebed vlak voordat
hij vermoord werd. Ook is er overgeleverd dat hij onder andere heeft gezegd:
,,Ik
zit er niet mee als ik als moslim vermoord wordt. Maar ook niet op welke zijde
ik val omdat het voor Allah is. Dit allemaal voor Zijn tevredenheid, als Hij wil
kan Hij een uit elkaar versplinterd lichaam zegenen".
Abu
Sufyan zei tegen Khubaib: ,,Zou je het goed vinden dat wanneer Mohammed hier is,
wij hem vermoorden terwijl jij thuis zit?". Khubaib antwoordde: ,,Bij Allah
zou ik het niet goed vinden als ik thuis zit en dat Mohammed in Medina ergens
last van heeft". Hierna heeft hij U'qbah Ibn Alharith vermoord omdat hij
zijn vader tijdens de Badr-strijd had vermoord. Zaid Ibn Dathnah had tijdens het
Badr-strijd Umayah Ibn Mahrith vermoord. Daarom kocht Safwan, de zoon van Umayah,
hem en vermoordde hem daarna.
De
mensen van Quraish stuurden iemand om een deel van het lichaam van A'sim naar
Mekka over te brengen. Allah, de Verhevene, had echter de wespen op het lijk
afgestuurd en zodoende konden zij niet in zijn buurt komen. Ook had A'sim een
belofte aan Allah, de Verhevene, gemaakt dat hij geen afgodendienaar gedurende
zijn leven aan zou raken. Allah heeft hem
ook na zijn dood bescherm.
De
ramp van Bi'r Ma'unah:
In
dezelfde periode van het Radji'e incident vond een ander incident plaats dat
veel erger was. Abulbara'e A'mir Ibn Malik had als bijnaam 'speler met de
speren'. Hij kwam naar Medina en ontmoette de profeet, Allah's zegen en vrede
zij met hem. De profeet riep hem op zich tot de Islam te bekeren wat hij
weigerde. De profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, hoopte dat de mensen
van zijn stam zich alsnog tot de Islam zouden bekeren en stuurde vervolgens
zeventig mannen van zijn metgezellen naar Nadjd, met als taak ze tot de Islam
aan te roepen en de Koran te leren. Toen de zeventig mannen bij Bi'r Ma'unah
aankwamen, ging Haram Ibn Malhan naar A'mir Ibn At-tufayl om hem een brief van
de profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, te geven. A'mir las deze brief
niet en droeg een man op om Haram te vermoorden. De man stak vervolgens een
speer in de rug van Haram, waarna Haram zei: ,,Allah is groot. Bij de Heer van
de Ka'bah, dit is mijn triomf."
A'mir
Ibn At-tufayl, riep de mensen van Beni A'mir op om de zeventig metgezellen van
de profeet aan te vallen. De mensen
van Beni A'mir gaven hieraan geen gehoor omdat zij bescherming boden aan Abu
Bara'e. Daarna riep A'mir, Beni Salim op de profeet aan te vallen, waarna een
aantal groepen binnen deze stam, waaronder Ra'l, Thakwan en A'siyah, wel gehoor
gaf aan deze oproep. Zij omsingelden de groep en vermoordden ze allemaal behalve
Ka'b Ibn Zaid en A'mr Ibn Umayah. Ka'b lag gewond op de grond en de vijanden
dachten dat hij al dood was. Hij stierf later als martelaar tijdens de
Khandaq-strijd, terwijl A'mr Ibn Umayah zich samen met Almunthir Ibn U'qbah ver
van de strijdplaats bevonden.
Zij
hoorden over het incident, waarna Almunthir erheen ging en vocht totdat hij
stierf. A'mr werd gevangengenomen en is later door A'mir Ibn Umayah alsnog in
vrijheid gesteld omdat A'mir te horen kreeg dat Almunthir uit de stam Mudhar is.
A'mr
Ibn Umayah keerde hierna terug naar Medina. Onderweg kwam hij twee mannen tegen
waarvan hij dacht dat zij tot de vijanden behoorden en
vermoordde ze.
De
twee waren leden van de stam Beni Kilab waarmee de profeet, Allah's zegen en
vrede zij met hem, een akkoord had gesloten.
De
profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, reageerde verdrietig toen hij de
berichten van A'mr hoorde. Hij vertelde A'mr ook dat de twee mannen die hij
vermoord had een akkoord met hem hadden gesloten.
De
twee incidenten van Radji'e en Bi'r Ma'unah vonden plaats in dezelfde maand; de
maand Safar van het jaar 4 hijri. Er is ook overgeleverd dat de profeet, Allah's
zegen en vrede zij met hem, op het-zelfde avond daarover bericht kreeg. Hij deed
dertig dagen lang, tijdens het ochtendgebed "alfadjr", een aanroep om
verwensing van de moordenaars. Allah openbaarde toen namens de martelaars van de
twee incidenten dat zij Hem hadden ontmoet en dat Hij, de Verhevene, tevreden
was met hen.
| Vorige ||
Hoofdstuk 21 || Terug naar de
index |
|