Home
 

Dit was de eerste militaire actie in de geschiedenis van de Islam. Er werd een witte banier gedragen die ook als eerste banier in de Islamitische geschiedenis wordt beschouwd. De drager van deze banier was Abu Marthad (Kinaz Ibn Hushain Alghanwi). 

Daarna volgden soortgelijke kleinschalige militaire acties. Zo stuurde de profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, in de maand Shawal U'baidah Ibn Alharith met zestig man onder almuhadjirin naar Batn Rabigh. Daar ontmoette U'baidah tweehonderd man onder leiding van Abu Sufyan, waarbij beide groepen pijlen op elkaar hebben gericht zonder dat er echt een gevecht plaats vond. 

De profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, stuurde ook in de maand Thil-Qi'dah twintig man van almuhadjirin onder leiding van Sa'd Ibn Abi Waqas, naar Alkharar in de omgeving van Rabigh maar de mannen kwamen niets tegen. Daarna heeft de profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, zelf  de leiding gegeven aan zeventig man van almuhadjirin in de maand Safar  van het jaar 2 hijri in een tocht naar Alabwa' of Wadan. Hij kwam de vijand niet tegen en sloot een veiligheids- en alliantieakkoord met Amr Ibn Makhshi Ad-damri. 

Dit was de eerste veldtocht waar de profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, zelf  bij was. Hierna vertrok hij samen met tweehonderd man onder almuhadjirin naar Bawat in de omgeving van Radwah maar kwam ook niemand tegen. Dit vond plaats in de maand Rabie' I van het jaar 2 hijri. 

In dezelfde maand heeft Karz Ibn Djabir Alfihri de weilanden in Medina aangevallen en wat vee geroofd. De profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, vertrok met zeventig man richting Safwan in de omgeving van Badr, op zoek naar Karz maar hij wist te ontsnappen. Deze tocht wordt ook wel de eerste Badr-veldtocht genoemd. 

In de maand Djumadah I van het jaar 2 hijri vertrokken honderdvijftig of tweehonderd man onder leiding van de profeet, Allah's zegen en vrede  zij met hem, richting Thil'ashirah om een handelskaravaan van Quraish te onderscheppen die naar het Shaam-gebied was vertrokken. Deze was echter een paar dagen eerder al langs geweest. De profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, sloot daarop een akkoord met Beni Madladj om elkaar niet aan te vallen. 

In de maand Radjab van het jaar 2 hijri stuurde de profeet, Allah's zegen  en vrede zij met hem, Abdullah Ibn Djahsh Alasadi naar Nakhlah, dat  tussen Mekka en Taïf ligt. Abdullah vertrok samen met twaalf mannen  onder almuhadjirin. Ze hadden als opdracht berichten te achterhalen over de karavaan van Quraish, maar in plaats daarvan vielen ze de karavaan aan, vermoordden een man en namen twee andere mannen als krijgsgevangene en de buit mee. De profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, werd erg  boos hierover, hij liet de twee krijgsgevangenen vrij en betaalde een schadeloosstelling voor de vermoorde man. 

Deze gebeurtenis vond plaats op de laatste dag van de maand Radjab. De afgodendienaars beweerden naar aanleiding hiervan dat de moslims de onaantastbaarheid van de gewijde maanden hadden geschonden, waarna Allah, de Verhevene, heeft geopenbaard: 

{íÓÃáæäß Úä ÇáÔåÑ ÇáÍÑÇã ÞÊÇá Ýíå Þá ÞÊÇá Ýíå ßÈíÑ æÕÏ Úä ÓÈíá Çááå æßÝÑ ÈåæÇáãÓÌÏ ÇáÍÑÇã æÅÎÑÇÌ Ãåáå ãäå ÃßÈÑ ÚäÏ Çááå æÇáÝÊäÉ ÃßÈÑ ãä ÇáÞÊá }

,,Zij vragen jou over de strijd in de gewijde maanden. Zeg (O Mohammed): "De strijd daarin is een grote zonde. En het afhouden van het pad van Allah en ongeloof aan Hem en het versperren van de toegang tot de Masdjid al Haram (de gewijde moskee te Mekka) en het verdrijven van de bewoners er omheen, (dit alles) is nog erger bij Allah. En Fitnah (hier: afgoderij) is erger dan het doden." [Albakarah: 217]. 

In de maand Sha'ban van het jaar 2 hijri heeft Allah, de Verhevene, de "qiblah" d.w.z. "de richting waarnaar men zijn gebed verricht", veranderd van de Aqsa-moskee in Jeruzalem naar de Ka'bah, de gewijde moskee in Mekka. Dit wilde de profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, ook graag en heeft hierop gewacht. Door deze verandering kwamen sommige bedriegers, huichelaars en onoprechte joden aan het licht. Zij hadden zich slechts van de buitenkant als moslim gedragen. 

De bovengenoemde feiten waren de militaire activiteiten van de profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, en van de moslims om de veiligheid in Medina te beschermen en tegelijkertijd de mensen van Quraish te waarschuwen. Dat leidde evenwel tot meer arrogantie en vijandigheid bij Quraish en uiteindelijk heeft deze haar bestraffing en nederlaag gekregen tijdens de Badr-strijd.

Vorige  ||  Hoofdstuk 18  ||  Terug naar de index  |





Hadith:

Aboe Maalik al-Haarith ibn ‘Aasim al-Ash’aarie

verhaalt dat de Boodschapper van Allah zei: “Reinheid is de helft van het geloof en het zeggen van ‘alle lof behoort aan Allah’ vult de weegschaal van de goede daden en (het zeggen van) ‘heilig is Allah en alle lof behoort Allah” vult de aarde. De Salaat is licht en liefdadigheid is een bewijs van het geloof: geduld is een gloed en de Koran is of een pleidooi voor je of tegen je. Ieder mens verlaat in de ochtend zijn huis en zet zijn ziel op het spel: hij verlost of verliest haar.”(Moeslim)

Rawdatul-anoir Alle auteurs en vertaalrechten zijn voorbehouden aan Stichting Alwaqf Alislami te Eindhoven.
 

No Copyright © 1423-2002 www.al-islaam.com, Inc. No rights reserved.