Home
 

De migratie van de profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem 

Het verlaten van zijn woning:

De profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, verliet zijn woning terwijl de mannen het omsingelden. Hij pakte wat aarde van de grond en gooide het naar hun hoofden terwijl hij het volgende uit de Koran zei:

{æÌÚáäÇ ãä Èíä ÃíÏíåã ÓÏÇ æãä ÎáÝåã ÓÏÇ ÝÃÛÔíäÇåã Ýåã áÇ íÈÕÑæä }

'En Wij hebben voor hen een hindernis geplaatst en achter hen een hindernis en Wij hebben hun ogen bedekt zodat zij niet kunnen zien' [Yasin: 9]. 

Allah, de Verhevene, had hun gezichtsvermogen afgenomen waarna zij niets hadden gemerkt toen de profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, het huis verliet. Hij ging richting het huis van Abu Bakr en daarna vertrokken zij naar een grot dat zich in de berg Thawr bevindt op een afstand van ongeveer vijf mijlen richting Jemen. 

Drie nachten in de grot:

Abu Bakr ging als eerste de grot in om de profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, te beschermen. Als er zich iets in de grot zou bevinden dan  trof het hem en niet de profeet. Hij inspecteerde de grot en vond gaten in  de muren die hij met stukjes stof van zijn kleding dichtmaakte; zo bleven er maar twee gaatjes over, die hij met zijn voeten dichtmaakte. 

De profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, liep daarna naar binnen  en sliep met zijn hoofd op de schoot van Abu Bakr. Hij werd gebeten in zijn voet maar bewoog niet om de profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, niet wakker te maken. De tranen van Abu Bakr kwamen op het gezicht van de profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, waardoor hij wakker werd en vroeg wat er aan de hand was. Hij vertelde hem dat hij gebeten was.  De profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, spoog op de plek waarna de pijn verdween.

Zij verbleven drie dagen in de grot. Abdullah, de zoon van Abu Bakr, sliep ook bij hen. Hij was een inteligente jongeman en vertrok vroeg naar Mekka alsof hij daar ook de nacht had doorgebracht. Hij beluisterde ook de plannen en complotten van Quraish en vertelde die 's nachts aan hen door. 

A'amir Ibn Fahirah, de slaaf van Abu Bakr, was een schapenherder. Hij ging met zijn schapen aan het begin van de avond naar de profeet en Abu Bakr zodat zij van de melk konden drinken. Op zijn terugkeer volgde hij met zijn schapen de sporen van Abdullah zodat die onvindbaar werden. 

De mannen van Quraish stonden nog steeds op de profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, te wachten toen het ochtend werd. 's Ochtends stond Ali op die op het bed van de profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, had geslapen. Zij grepen hem vast en vroegen hem naar de profeet. Ali vertelde de mannen dat hij niet wist waar de profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, was waarna zij hem sloegen en naar de Ka'bah brachten. Daar hebben zij hem een uur lang opgesloten zonder iets te hebben gezegd. Daarna zijn ze naar de woning van Abu Bakr gegaan en vroegen aan zijn dochter Asma'e naar hem. Zij vertelde hen dat ze niets wist, waarna Abu Djahl haar een klap gaf waarbij haar oorbel uitviel. Daarna zijn zij overal met een zoektocht begonnen en kondigden een beloning van honderd kamelen aan voor een-ieder die hem levend of dood zou terugbrengen. 

Zij hebben in hun zoektocht de ingang van de grot ontdekt zodat als iemand van hen met zijn hoofd naar beneden had gekeken, ze de voeten hadden kunnen zien van de profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem. Het verdriet van Abu Bakr werd erg groot maar de profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, stelde hem gerust en zei: ,,Abu Bakr, wat dacht je van twee mensen die Allah steunt. Wees niet droevig, Allah is met ons". 

Onderweg naar Medina:

Op de nacht van maandag op dinsdag aan het begin van de maand Rabi'e I in het jaar 1"hijri" d.w.z. "de migratie jaartelling", kwam de gids Abdullah Ibn Uraiqit zoals afgesproken en bracht de twee dieren mee naar de berg Thawr. De profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, en Abu Bakr ver-trokken vergezeld van A'amir Ibn Fahirah. 

De gids nam hen een heel eind op weg naar het zuiden, richting Jemen. Daarna richting het westen, d.w.z. richting de kust van de rode zee, vervolgens gingen zij weer richting het noorden langs de kust. Zo namen ze een weg die vrijwel onbekend was bij de mensen. 

Zij hebben de hele nacht en de daaropvolgende dag  hun reis voortgezet. Toen het rustig werd aan het begin van de middag, hebben zij een pauze genomen waarbij de profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, rust nam onder de schaduw van een grote steen. Abu Bakr verkende de omgeving en zag een herder waaraan hij melk vroeg. Toen de profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, wakker werd, kreeg hij te drinken waarna zij weer verder trokken. 

De volgende dag zijn ze langs de tenten van Oum Ma'bad gekomen in Qadid dat op 130 kilometer afstand van Mekka ligt. Zij hebben haar naar voedsel gevraagd waarna zij haar excuses aanbood en hen vertelde dat de schapen niets te eten hadden. Vlakbij de tent was er een lam dat van vermoeidheid niet met de rest van de kudde mee kon op zoek naar voedsel, ook deze kon geen druppel melk geven. De profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, vroeg om toestemming haar te melken waarna hij een groot vat vol molk dat de mensen maar met moeite konden dragen. Zij dronken er allemaal van en gaven Oum Ma'bad ook te drinken en konden het vat weer vol melken, waarna zij vertrokken zijn. 

De man van Oum Ma'bad kwam later thuis en reageerde verbaasd toen hij de melk zag. Zij vertelde hem het verhaal en omschreef uitvoerig de profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem. Abu Ba'bad zei: ,,Hij is de man van Quraish, ik wil hem graag vergezellen op zijn reis en zal het zeker doen als  het kan". 

Op de derde dag hoorden de bewoners van Mekka een stem vanuit het zuiden tot aan het noorden en volgden hem maar zij konden niemand zien. Hij zei in een gedicht:

Moge Allah, de Heer der mensen, de twee kameraden belonen.

Zij bezochten Oum Ma'bad in haar tenten, belandden daar ter land en vertrokken ter land.

Wie een kameraad van Mohammed is geworden, heeft alle voorspoed kunnen bereiken.

O mensen van Qusay, door hem heeft Allah jullie veel onheil onthouden en beschermt hij jullie tegen zaken die jullie anders niet tegen konden  houden.

Vorige  ||  Volgende  ||  Terug naar de index  |





Hadith:

Aboe Maalik al-Haarith ibn ‘Aasim al-Ash’aarie

verhaalt dat de Boodschapper van Allah zei: “Reinheid is de helft van het geloof en het zeggen van ‘alle lof behoort aan Allah’ vult de weegschaal van de goede daden en (het zeggen van) ‘heilig is Allah en alle lof behoort Allah” vult de aarde. De Salaat is licht en liefdadigheid is een bewijs van het geloof: geduld is een gloed en de Koran is of een pleidooi voor je of tegen je. Ieder mens verlaat in de ochtend zijn huis en zet zijn ziel op het spel: hij verlost of verliest haar.”(Moeslim)

Rawdatul-anoir Alle auteurs en vertaalrechten zijn voorbehouden aan Stichting Alwaqf Alislami te Eindhoven.
 

No Copyright © 1423-2002 www.al-islaam.com, Inc. No rights reserved.