Home
 

De migratie van de moslims naar Medina 

Na de tweede eed van trouw bij Al'aqabah begonnen de meeste moslims te immigreren naar Medina zoals sommige metgezellen van de profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, dat al eerder hadden gedaan. De profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, zag in zijn droom het land waar de moslims naartoe zouden immigreren en vertelde hen dat: ,,Ik heb in mijn droom gezien dat ik vanuit Mekka trek naar een gebied dat rijk is aan  palmbomen. Ik dacht dat het Alyamamah of Hadjr was maar het schijnt Yathrib (Medina) te zijn". Volgens een andere overlevering heeft hij gezegd: ,,Ik heb in mijn droom jullie migratieland te zien gekregen, het ligt op een vruchtbaar stuk land, het zal of Hadjr of Yathrib zijn". 

Abu Salamah Almakhzoemi, de man van Oum Salamah, was de eerste die immigreerde. Hij vertrok samen met zijn vrouw en zoon. Mensen uit de stam van zijn vrouw hebben haar verboden met hem te vertrekken, mensen uit de stam van haar man hebben het kind bij haar weggenomen. Toen is Abu Salamah alleen vertrokken naar Medina. Dit vond plaats ongeveer een jaar voor de tweede eed van trouw bij Al'aqabah. Daarna is zijn vrouw ook geïmmigreerd. 

Na Abu Salamah is A'amir Ibn Rabi'ah met zijn vrouw Laila geïmmigreerd. Zij was de dochter van Abu Hathmah. Ook immigreerde Abdullah Ibn Oum Kalthoem. Na de eed van trouw immigreerden talloze moslims in het geheim uit angst voor de mensen van Quraish. Omar Ibnulkhattab heeft dit echter bekend gemaakt. Hij daagde de mensen van Quraish uit maar niemand van hen durfde hem nog in de weg te staan. Zo arriveerde hij in Medina samen met twintig andere metgezellen van de profeet. 

Vrijwel alle moslims zijn geïmmigreerd naar Medina. Ook zijn de migranten die zich in Alhabasha bevonden naar Medina teruggekeerd. Er zijn maar weinigen in Mekka gebleven. De uitzonderingen zijn Abu Bakr, Ali, Suhaib, Zaid Ibn Harithah en een groep zwakke mensen die niet konden immigreren. 

Abu Bakr had zich al gereed gemaakt om ook te vertrekken maar de profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, vroeg hem nog te wachten want hij verwachtte toestemming van Allah, de Verhevene, te krijgen om ook te vertrekken. ,,Verwacht u dat echt?" vroeg Abu Bakr. De profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, antwoordde bevestigend. Abu Bakr stelde dus zijn plan uit, om zodoende op een later tijdstip samen met de profeet te kunnen vertrekken. Hij voedde twee trekdieren goed om ze voor te bereiden op de reis.

Vorige  ||  Hoodfstuk 13  ||  Terug naar de index  |





Hadith:

Aboe Maalik al-Haarith ibn ‘Aasim al-Ash’aarie

verhaalt dat de Boodschapper van Allah zei: “Reinheid is de helft van het geloof en het zeggen van ‘alle lof behoort aan Allah’ vult de weegschaal van de goede daden en (het zeggen van) ‘heilig is Allah en alle lof behoort Allah” vult de aarde. De Salaat is licht en liefdadigheid is een bewijs van het geloof: geduld is een gloed en de Koran is of een pleidooi voor je of tegen je. Ieder mens verlaat in de ochtend zijn huis en zet zijn ziel op het spel: hij verlost of verliest haar.”(Moeslim)

Rawdatul-Anoir   Alle auteurs en vertaalrechten zijn voorbehoud aan Stichting Alwaqf Alislami te Eindhoven
 

No Copyright © 1423-2002 www.al-islaam.com, Inc. No rights reserved.