|
Het
voorleggen van de Islam aan de stammen en individuen
Het
was een gewoonte van de profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, sinds hij
werd opgedragen de boodschap openlijk te verkondigen, om elk bedevaartsseizoen,
maar ook tijdens de regelmatige markten die de Arabieren hielden, de verblijven
van de verschillende stammen te bezoeken en hen tot de Islam op te roepen.
De
meest bekende markten die de Arbieren in het djahiliyah-tijdperk hielden waren
de volgende drie: U'kadh, Madjnah en Thul-madjaz. U'kadh is een dorpje tussen
Nakhlah en Taïf. Zij zetten daar een markt op vanaf het begin van de maand
Thil-qi'dah tot de twintigste ervan, daarna verplaatsten ze zich naar Madjnah en
zetten een markt op tot het einde van de maand Thil-qi'dah. Madjanah ligt ten
zuiden van Mekka bij de vallei Mar-ad-dhahraan. Thul-madjaz ligt achter de berg
Arafah "djabal ar-rahmah". Daar zetten ze de markt op vanaf het begin
van de maand Thil-hidjah tot de achtste ervan, waarna zij de bedevaartsrituelen
verrichtten.
De
stammen die de profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, voor steun heeft
benaderd en tot de Islam heeft aangeroepen, zijn onder andere: Beni A'amir Ibn
Sa'sa'ah, Beni Muharib Ibn Khasfah, Beni Fazarah, Ghassan, Murrah, Beni Hanifah,
Beni Salim, Beni A'bs, Beni Nasr, Beni Albuka', Kindah, Kalb, Beni Alharith Ibn
Ka'b, A'thrah en Alhadharimah. Geen van de genoemde stammen ging daarop in. De
reacties waren verschillend van aard. De ene stam weigerde vriendelijk, de
andere stam eiste weer dat zij de leiding na zijn overlijden zouden krijgen.
Andere stammen hadden gezegd: ,,Je eigen familieleden en mensen kennen jou beter
dan wij doen maar hebben je ook niet gevolgd". Weer andere stammen
behandelden hem slecht, vooral Beni Hanifah en de mensen van Musaylimah, zij
noemden hem 'de leugenaar'.
Gelovigen
van buiten Mekka:
Allah's
voorbeschikking zorgde ervoor dat enkele mannen die geen bewoners van Mekka
waren zich tot de Islam bekeerden in een periode dat de verkondiging van de
Islam moeilijke tijden doormaakte. Zij waren het kleine beetje licht dat hoop
gaf in een duistere tijd. Enkele van deze bekeerde mannen waren:
1. Suwaid Ibn As-samit:
hij was een intelligente dichter, woonachtig in Yathrib (Medina) en werd Alkamil
genoemd uit bewondering voor zijn dichtwerk. Hij kwam naar Mekka als
bedevaartganger waarde profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, hem tot de
Islam opriep. Vervolgens legde hij de profeet, Allah's zegen en vrede zij met
hem, de wijsheden van Luqmaan uit. Als antwoord liet de profeet, Allah's zegen
en vrede zij met hem, de dichter naar de Koran liet luisteren waarop hij moslim
is geworden en zei: ,,Deze uitspraken zijn erg mooi". Hij is later vermoord
in de strijd tussen de stammen Al'aws en Alkhazradj voor de bi'ath-dag.
2. Iyaas Ibn Mu'ath: hij
was een jongeman gevestigd in Yathrib. Hij kwam naar Mekka in een delegatie aan
het begin van het jaar 11 na het gezantschap. De delegatie was een onderdeel van
de stam Al'aws die bontgenoten zochten van Quraish tegen de stam
Alkhazradj. De profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, benaderde hen
en riep ze op om zich tot de Islam te bekeren en las de Koran voor waarna Iyaas
zei: ,,Dit is beter dan waar jullie voor gekomen zijn". Abul-haysar, een
delegatielid, gooide met aarde op het gezicht van Iyaas en zei: ,,Laat ons met
rust, wij zijn hier voor iets anders gekomen", waarna Iyaas zich stil
hield. Hij overleed vlak na hun terugkeer naar Yathrib. Voor zijn dood
verheerlijkte en bedankte hij Allah, de
Verhevene. Zijn volk twijfelde er niet aan dat hij al moslim was toen hij
overleed.
3. Abu Thar Alghifari:
hij ontving het bericht van het gezantschap van de profeet, Allah's zegen en
vrede zij met hem, door middel van de bekering van Suwaid Ibn As-samit en Iyaas
Ibn Mu'ath. Hij stuurde vervolgens zijn broer naar Mekka om het bericht te
bevestigen, deze vertrok en keerde terug maar Abu Thar was daarmee nog niet
tevreden. Hij besloot zelf naar Mekka te gaan. Hij vertrok totdat hij Mekka
naderde en ging de gewijde moskee binnen waar hij ongeveer een maand verbleef en
van het water van de zamzam-put dronk, dat was zijn voeding.
Hij
durfde niemand naar de profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, te vragen
omdat hij bang was. Ali, moge Allah met hem tevreden zijn, is hem gevolgd en
heeft hem vervolgens naar de profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem,
begeleid.
Abu
Thar vroeg de profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, om de Islam uit te
leggen, waarna hij onmiddellijk moslim is geworden.
Hij
ging weer naar de gewijde moskee en uitte daar de geloofs- verklaring; ,,Ik
verklaar dat er geen andere god is dan Allah en dat Mohammed Zijn dienaar en
gezant is". De mensen van Quraish vielen hem aan en sloegen hem. Ze
probeerden hem te vermoorden, maar Al'abbas redde zijn leven. De volgende
ochtend vond dit weer plaats waarbij Al'abbas hem nogmaals heeft gered. Abu Thar
keerde daarna terug naar de vestigingsplaats van zijn stam Beni Ghaffar, waar de
profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, later ook naartoe ging toen hij
naar Medina was geïmmigreerd.
| Vorige ||
Volgende || Terug naar de
index |
|