|
De
Taboek-veldtocht
De
strijd Mo'tah was voor de Romeinen en hun leger een slechte ervaring. De moslims
behaalden een overwinning met maar drieduizend strijders tegen tweehonderd
duizend Romeinse strijders. Dit had een enorme invloed op de Arabische stammen
aan de rand van het Shaam-gebied. Deze stammen streefden naar onafhankelijkheid,
waardoor de Romeinen besloten een tegenaanval te beginnen tegen de moslims tot
aan de stad Medina.
De
voorbereidingen van de moslims voor de ontmoeting met
de Romeinen:
De
profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, hoorde over de voor-bereidingen van
de Romeinen. Hij riep de moslims van overal naar zich toe om op duidelijke wijze
de plaats van de strijd bekend te maken. Het was de bedoeling dat ze voldoende
uitrusting mee zouden nemen aangezien het heel warm was en ze een grote afstand
moesten afleggen. Voor sommige moslims was het een moeilijke beslissing om mee
te gaan omdat juist het tijdstip was aangebroken om te oogsten.
De
profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, vroeg nadrukkelijk van degenen die
financieel ruim zaten hun steun te verlenen aan degenen die wat minder ruim
zaten. Daarop verzamelden de moslims zich met al hun bezittingen. De eerste was
Abu Bakr, moge Allah met hem tevreden zijn, met een vermogen van vierduizend
dirham. De profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, vroeg hem of hij iets
overgelaten had voor zijn gezin.
Hij
antwoordde: ,,Ik heb ze in de bescherming van Allah en Zijn boodschapper
achtergelaten". Omar Ibnulkhataab, moge Allah met hem tevreden zijn, kwam
ook met de helft van zijn vermogen en Othman Ibn Affan droeg een groot deel van
zijn vermogen over; namelijk tienduizend dirham, driehonderd kamelen met
uitrusting en vijftig paarden, dit is naar de meest waarschijnlijke
overleveringen. Er is ook overgeleverd dat hij negenhonderd kamelen en honderd
paarden had gegeven. De profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, heeft
gezegd: ,,Na zijn daad van vandaag wordt Othman nooit meer benadeeld".
Abdurrahman
Ibn A'wf gaf tweehonderd pond.
Abbas, Talha, Said Ibn U'bada, Mohamed Ibn Muslima en anderen gaven ook veel
geld; A'asim Ibn U'day gaf negentig ladingen dadels en de rest van de moslims
gaven wat ze konden missen: de vrouwen gaven bijvoorbeeld hun sieraden. De arme
metgezellen vroegen aan de profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, of hij
rijdieren voor hen ter beschikking kon stellen. De profeet, Allah's zegen en
vrede zij met hem, zei: ,,Ik heb
geen rijdieren om jullie te vervoeren." De armen konden niets bijdragen aan
de strijd, wat hen erg verdrietig maakte. Othman en Abbas, moge Allah met hen
tevreden zijn, en anderen hielpen deze armen door ze van hun bezittingen te
geven. De huichelaars vonden dit alles een belachelijke zaak. Zij bespotten de
mensen die veel uitgaven maar ook degenen die weinig hadden gegeven. Ze vonden
het al absurd dat de profeet opstandig durfde te zijn tegen de Romeinen. Toen ze
hiernaar werden gevraagd, zeiden ze: ,,Wij bedoelden het niet serieus".
Hierop gingen enkelen van hen en enkelen van het platteland naar de profeet,
Allah's zegen en vrede zij met hem, en vroegen hem om toestemming achter te
blijven.
Ze
zochten hiervoor allerlei uitvluchten. De profeet, Allah's zegen en vrede zij
met hem, gaf hen toestemming. Sommigen onder de trouwe moslims bleven ook
achter, simpelweg vanwege het feit dat ze lui waren.
Het
vertrek van het islamitische leger naar Taboek:
De
profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, droeg het bestuur van Medina over
aan Mohammed Ibn Maslamah en aan Ali Ibn Abutalib droeg hij de zorg voor zijn
familie op. De grootste banier gaf hij aan Abu Bakr, Zubair gaf hij de leiding
over de Muhadjirin, Usaid Ibn Hudair de leiding over Al'aws en Alhabab Ibn
Almunthir de leiding over Alkhazradj. Zij vertrokken op een donderdag vanuit
Medina richting Taboek met dertigduizend troepen en een beperkte hoeveelheid
voedsel en rijdieren. Onderweg hebben de mensen zelfs bladeren moeten eten en
moesten ze kamelen slachten zodat ze van het vocht dat door de dieren was
opgeslagen konden drinken. Achttien strijders bestegen om de beurt één kameel.
Terwijl
het leger onderweg was naar Taboek, volgde Ali Ibn Abu Talib. Hij hoorde wat de
huichelaars hadden gezegd en wilde ze daarmee confronteren. De profeet, Allah's
zegen en vrede zij met hem, stuurde hem terug en zei: ,,Ben je niet tevreden met
de positie die ik jou geef zoals Moesa die aan Haroen gaf. Het enige verschil
tussen mij en Moesa is dat na mij geen profeet meer zal komen".
| Vorige ||
Volgende || Terug naar de
index |
|