|
De
oproep ging daarna richting Al'ansar en Beni Alharith Ibn Alkhazradj waarna
verschillende groepen van de moslimtroepen zich rondom de profeet, Allah's zegen
en vrede zij met hem, verzamelden. Allah, de Verhevene, steunden hen door hen
zelfvertrouwen te geven en onzichtbare strijders in te zetten. De moslims rukten
op en het gevecht laaide weer op. De profeet, Allah's zegen en vrede zij met
hem, zei: ,,Nu is het pas echt strijd voeren" en pakte een handvol aarde en
smeet het in hun gezichten waarbij hij zei: ,,Mogen de gezichten van de
veelgodendienaars vervormd raken". Hun ogen raakten daarna vol zand. Ze
werden hierdoor uitgeschakeld, uiteen gedreven en achtervolgd door de moslims
die ze een voor een vermoordden en hun vrouwen, kinderen en overige krijgers als
gevangenen meenamen. Khalid Ibn Alwalid raakte tijdens deze oorlog zwaar gewond.
Verder bekeerden zich een groot aantal van de afgodendienaars tot de Islam omdat
zij overtuigd waren geraakt van Allah's steun en zorg voor Zijn boodschapper.
De
achtervolging van de afgodendienaars:
De
afgodendienaars trokken zich terug en waren verspreid in drie groepen; de
grootste groep ging naar Taif, een andere naar Nakhla en de derde groep naar
Awtas. De profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, heeft Abu A'mir Alash'ari,
de oom van Abu Moesa Alash'ari, moge Allah met hem tevreden zijn, naar Awtas
gestuurd. Hij vertrok met een groep moslims, heeft hen uit elkaar gedreven en
nam hun bezittingen in als oorlogsbuit. In deze strijd is Abu A'mir Alash'ari,
moge Allah met hem tevreden zijn, als martelaar gestorven waarna Abu Moesa
Alash'ari de leiding overnamen een overwinning realiseerde.
Een
andere groep moslims van de cavallerie achtervolgde de verliezende
afgodendienaars naar Nakhla waar zij Doerid Ibn Samma hebben gevonden en
vermoord.
De
profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, droeg de moslims op de oorlogsbuit
van 24.000 kamelen, meer dan 40.000 schapen, 4.000 pond zilver en 6.000
krijgsgevangenen in Dja'rana te verzamelen en gaf de verantwoordelijkheid
hierover aan Mas'ud Ibn A'mr Alghifari.
De
veldtocht naar Taif:
De
profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, vertrok hierna richting Taif.
Onderweg liep hij langs een vesting van Malik Ibn A'wf An-nasri, alwaar de
profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, opdracht gaf deze te slopen. Toen
de profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, in Taif aankwam, trof hij de
vijand aan, totaal afgeschermd met
proviand voor ruim een jaar. Hij omsingelde hen. Sommigen van de moslims
bevonden zich in de buurt van de vijand en zijn door pijlen getroffen, waarna
zij gebracht werden naar de plek
waar nu de Taif-moskee bevindt.
De
moslims hadden vele manieren geprobeerd om de vijanden te lokken maar dit lukte
steeds niet. Khalid daagde hen steeds uit voor een gevecht maar niemand kwam
naar voren. Daarna maakte hij gebruik van een katapult maar zonder effect. Een
groep moslims verschanste zich in twee tanks om binnen te dringen maar ze
moesten onverrrichter zake terugkeren omdat
de vijand hen met gloeiend staal dreigde te overgieten. De profeet,
Allah's zegen en vrede zij met hem, riep op dat iedere slaaf die uit de vesting
naar buiten kwam zijn vrijheid kreeg. Drieëntwintig slaven waaronder Abu Bakrah
kwamen naar buiten. De profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, noemde hem
Abu Bakrah omdat hij over de muur van de vesting klom en via een boom "Bakrah"
naar beneden zakte.
De
omsingeling duurde lang en was zonder effect. Het duurde twintig
dagen of zelfs een maand. De profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem,
overlegde met Nawfal Ibn Mu'awiyah Ad-dayli hierover en die zei: ,,Ze zijn als
vossen in een hol, als je geduld hebt krijg je ze te pakken, maar als je ze met
rust laat heb je er geen last van". De profeet, Allah's zegen en vrede zij
met hem, gaf de opdracht om te vertrekken.
Enkele
moslims vroegen hem een aanroep aan Allah te doen tegen de vijanden, waarna hij
zei: ,,Oh Allah, leidt de mensen van Thaqif naar het juiste pad en laat ze zich
tot de Islam bekeren".
| Vorige ||
Volgende || Terug naar de
index |
|