Home
 

De Hoenayn-strijd

Toen de moslims Mekka binnenvielen hebben de leden van de stammen Qais Aylaan aldaar vergaderd om dit te bespreken. De aanwezigen bestonden voornamelijk uit leden van de stammen Hawazin en Thaqif. Zij zeiden tegen elkaar: ,,Mohammed heeft nu de strijd tegen zijn eigen volk al achter de rug en niemand kan hem tegenhouden ons aan te vallen, wij moeten hem eerder aanvallen voordat hij hetzelfde met ons doet". Iedereen stemde daar mee in. Als leider werd Malik Ibn A'wf An-nasri aangesteld. 

Hij bracht een grote groep mannen met hun vrouwen, kinderen en bezittingen bijeen en liet ze afdalen naar het gebied Awtas. Tussen hen bevond zich een wijze man, genaamd Doerid Bin Samma. Toen hij de kinderen en de dieren hoorde vroeg hij Malik daarover. Deze antwoordde: ,,Ik  wil dat elke man ziet waarvoor hij vecht, dat is wanneer zijn gezin en bezit dichtbij hem zijn". De wijze man zei: ,,Bij Allah, dit is geen verstandige zet, want wat wint de verliezer ermee? Als jij wint zullen namelijk alleen de zwaardvechter en  de speerwerper er voordeel uit halen, maar als je verliest zul je je hele gezin en je bezit kwijtraken". Hij gaf Malik de raad om hun gezinnen terug te brengen maar deze nam de wijze raad niet aan en verzamelde de gezinnen  bij de vallei Awtas. Hij trok met zijn soldaten naar de rivier Hoenayn niet  ver van Awtas en voorzag het gebied van valstrikken. 

Nadat de profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, wist dat zij zich aan het voorbereiden waren  vertrok hij op zaterdag 6 Shawal uit Mekka met twaalfduizend strijders en leende van Safwan Ibn Oemayah honderd harnassen en zwaarden. Hij droeg de bestuursbevoegdheden van Mekka over aan I'taab Ibn Usaid. 

Onderweg zagen ze een enorme hulstboom die gewoonlijk door Arabieren werd vereerd. Ze brachten er offers en hingen hun wapens eraan. Sommigen onder de strijders zeiden tegen de profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem: ,,Wij willen, net als andere Arabieren, zo'n boom". De profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, antwoordde: ,,Allah is groot, jullie vragen hetzelfde als het volk van Moesa; ,,Maak voor ons een God net zoals bij de andere volkeren". ,,Jullie zijn onwetend, want wat jullie doen is het overnemen van slechte gewoonten van andere volkeren"."

Sommigen onder de moslim-strijders zeiden: ,,Gezien de hoeveelheid strijders zullen we vandaag zeker winnen". De profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, had moeite met het feit dat ze dit op een arrogante wijze zeiden.

's Avonds kwam Faris bij de profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem,  en vertelde hem dat leden van de stam Hawazin naderbij kwamen met hun eten, dieren en vrouwen. Hij glimlachte en zei: ,,Dat zal morgen onze oorlogsbuit zijn, als Allah het wil". Op de tiende nacht van de maand Shawal van het jaar 8 Hijri kwam de profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, aan bij de rivier Hoenayn en bracht de strijders vr het ochtendgebed, waaraan hij zelf ook deelnam, bijeen. De profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, gaf de leiding over de "moehadjirin", d.w.z. "de migranten" aan Ali, de zoon van Abu Talib, de leiding over Al'aws aan Usaid Ibn Hudayr, de leiding over Alkhazradj aan Habab Ib Almunthir en anderen de leiding over leden van de verschillende stammen. De profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, droeg een complete gevechtsuitrusting. De voorste linie strijders begaf zich naar de vallei van Hoenayn. Dit terwijl ze niet wisten dat de vijanden zich daar verschanst hadden. Op het moment dat de moslims bij de vallei aankwamen, werden ze belaagd door een regen van pijlen, als een sprinkhanenplaag. De voorste moslimstrijders raakten totaal in paniek, waarna de rest van de strijders te hulp schoot. Ze leden een totale nederlaag. De afgodendienaars en sommigen die zich recentelijk tot de Islam bekeerden waren blij hiermee. Abu Sufyan zei: ,,Jullie nederlaag is nog niet ten einde en zal zelfs tot de zee reiken". Een broer van Safwan zei: ,,Vandaag heeft  de magie niet gewerkt". Een ander zei: ,,Wees tevreden met deze nederlaag van Mohammed en zijn metgezellen. Ik zweer dat ze deze nederlaag nooit goed kunnen maken". De afgodendienaar Safwan en I'krimah Ibn Abu Djahl die recentelijk moslim waren geworden, reageerden beiden boos. 

De profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, hield vol samen met een groep van Moehadjirin en Al'ansar. Zij rukten weer richting de vijand op terwijl de profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, zei:,,Ik ben de profeet, dit is geen leugen Ik ben de zoon van Abd Almuttalib."

Abu Sufyan Ibn Alharith en Abbas wilden voorkomen dat de profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, alleen naar de vijand ging en grepen het bit van zijn paard en de stijgbeugel. De profeet, Allah's zegen en vrede zij met hem, stapte van zijn merrie, riep Allah aan waarbij hij om een overwinning vroeg. Hij droeg Abbas op zijn mensen bijeen te roepen en riep met harde stem: ,,Waar zijn de mensen van Somra?" Ze kwamen op zijn stemgeluid af. Honderden van hen verzamelden zich en gingen de vijand te lijf waarna de strijd oplaaide.

Vorige  ||  Volgende  ||  Terug naar de index  |





Hadith:

Aboe Maalik al-Haarith ibn ‘Aasim al-Ash’aarie

verhaalt dat de Boodschapper van Allah zei: “Reinheid is de helft van het geloof en het zeggen van ‘alle lof behoort aan Allah’ vult de weegschaal van de goede daden en (het zeggen van) ‘heilig is Allah en alle lof behoort Allah” vult de aarde. De Salaat is licht en liefdadigheid is een bewijs van het geloof: geduld is een gloed en de Koran is of een pleidooi voor je of tegen je. Ieder mens verlaat in de ochtend zijn huis en zet zijn ziel op het spel: hij verlost of verliest haar.”(Moeslim)

Rawdatul-anoir Alle auteurs en vertaalrechten zijn voorbehouden aan Stichting Alwaqf Alislami te Eindhoven.
 

No Copyright © 1423-2002 www.al-islaam.com, Inc. No rights reserved.